Wat nu?
Eerder dit jaar, op 11 februari jl., werd in Utrecht met het symposium 'Hart voor Papoea' het startsein gegeven van een jubileumjaar: 100 jaar geleden begon de Katholieke Kerk haar missiewerk in Merauke en het zuiden van West-Papoea. Een historisch feit om bij stil te staan, maar de ook om de vraag te beantwoorden wie het werk van de kerk zal overnemen. De Minister van Ontwikkelingssamenwerking geeft aan het liefst met de grote ontwikkelingsorganisaties te werken. Tijdens het symposium klonk echter het tegengeluid.
De geschiedenis
Het is 14 augustus 2005 precies honderd jaar geleden dat op verzoek van Nederlandse overheid de eerste Missionarissen van het Heilig Hart MSC zich vestigden in bestuurspost Merauke, in het zuiden van het toenmalige Nederlands Nieuw-Guinea. Vol overgave en met ongelooflijke inzet werkten zij vanaf het begin aan een goed onderwijs- en gezondheidssysteem. In 1928 kregen zij daarbij hulp van de zusters. Samen met de lokale bevolking werkten zij sindsdien aan gemeenschapsopbouw. Vanaf 1948 volgden andere congregaties, catechisten, lekenmissionarissen en ontwikkelingswerkers. Samen werkten deze mensen aan de ontwikkeling van de lokale bevolking en zetten zij diverse projecten op om de lokale bevolking te ondersteunen. Inmiddels zijn de missionarissen bijna allemaal met pensioen en terug in Nederland, en is het de vraag wie hun ontwikkelingswerk voortzet.
De lokale bevolking
Een voor de hand liggende groep mensen die doorgaat met de werkzaamheden, is de lokale bevolking. Een deel van hen is reeds opgeleid om het ontwikkelingswerk op te pakken. Tot zover de theorie. De praktijk wijst uit dat de lokale mensen met een hogere opleiding liever in de grote steden en op de andere eilanden van Indonesië aan het werk gaan, en niet terug keren naar hun geboortedorpen in de binnenlanden . De bevolkingsgroepen in de moeilijk bereikbare binnenlanden, die nog maar 2 generaties geleden in aanraking zijn gekomen met mensen van buiten hun eigen oorspronkelijke leefomgeving, moeten de culturele, economische en sociale waarden van de nieuwe culturen nog opnemen in hun eigen culturele kader. En hoe leg je iemand uit die gewend is te leven in zijn eigen voorraadkast (de natuur) en die zijn op de gift-economie of de cargo-cultuur gebaseerde 'adat'-tradities achter zich moet laten, dat hij zelf verantwoordelijk is voor het doen van 'economische investeringen voor de toekomst'? Dit is het proces en met bijbehorende vragen dat zich op moment afspeelt in Papoea
Problemen zijn groot
De lokale bevolking in het binnenland heeft niet alleen een grote culturele, sociale en economische stap te maken. De problemen waarmee deze zelfde bevolkingsgroepen geconfronteerd worden zijn groter dan zelfs wij ons in het Westen kunnen voorstellen:
- Naast de 1,2 miljoen oorspronkelijke bewoners van het gebied leven er 1,2 miljoen mensen van andere eilanden van Indonesië.
- De Universiteit van Yale (USA) rapporteert daarnaast over genocide, en Amnestie International en Justitia et Pax rapporteren regelmatig van grove mensenrechtenschendingen in Papoea.
- Van de 2,4 miljoen bewoners zijn naar schatting van de Nationale Gezondheidsdienst in Indonesië 660.000 mensen HIV-positief en hebben bijna 15.000 mensen Aids. In onderzoek van het bisdom Merauke in 2004 wijzen tellingen in dorpen in het zuiden op een percentage van kindersterfte van 20% in de leeftijd van 1-7 jaar.
- Het gebied heeft de grootste voorraad tropisch hardhout ter wereld, de grootste kopermijn ter wereld, en de grootste gasbel. Het land is meerdere malen verdeeld in diverse concessies voor mijnbouw en voor de houtbedrijven die hun werkterrein willen verleggen van het leeggekapte Kalimantan naar West-Papoea.
Kortom, een omgeving die voor de lokale bevolking grote bedreigingen oplevert.
Hulp aan West-Papoea
De minister van Ontwikkelingssamenwerking geeft aan dat de hulp aan Indonesië moet plaatsvinden via de grote organisaties, waaronder de Wereldbank en Unicef. Daarnaast geeft zij aan dat de medefinancieringsorganisaties (Novib, ICCO, Cordaid, Hivos, Plan Nederland en Terres des Hommes) effectiever en dus bedrijfsmatiger moeten werken, meer moeten samenwerken met het bedrijfsleven, en zelfstandig 25% van de inkomsten moeten werven.
Helaas wordt hierbij nog twee zaken over het hoofd gezien: Ten eerste komen de grote hulporganisaties niet in het binnenland van West-Papoea, waar de oorspronkelijke bewoners wonen, omdat zij daar de contacten niet hebben. Tijdens het symposium van 11 februari 2005 werd dit door de deelnemende organisaties beaamd, terwijl tegelijkertijd werd aangegeven dat juist daar de hulp het hardst nodig is. Tijdens het symposium werd juist een lans gebroken voor deze kleinere professionele hulporganisaties, hoewel duidelijk werd dat de minister deze lijn niet ondersteunt. Ten tweede zijn de grote hulporganisaties zich te weinig bewust van het feit dat de nieuwe generatie sociaal leiders al is opgestaan. Mensen vanuit het bedrijfsleven en van de kleinere organisaties die hun creativiteit en passie inzetten, de samenwerking aangaan voor de goede zaak en niet rusten voor ze hun doel hebben bereikt. Een vrijwilligersorganisatie die zich nadrukkelijk profileert met deze manier van werken, is de Stichting Duurzame Samenleving Papua Barat (SDSP), die diverse grote projecten (waaronder moeder en kindzorg, inkomstgenererende en ecotoeristische projecten) heeft uitgevoerd die minister Van Ardenne (tot heden) niets hebben gekost, en die de lokale bevolking in West-Papoea van structurele steun voorzien.
Oplossing
Door omstandigheden is de aandacht voor met name het verre binnenland van West-Papoea weggeëbd. De kleine particuliere organisaties zijn gebleven en hebben zelfs hun kennis van het binnenland en hun netwerken kunnen uitbreiden, mede dankzij de geleverde inspanningen van de kerken. Zij hebben echter te weinig financiële en fysieke mogelijkheden om hun kennis optimaal te benutten ten behoeve van de inheemse bevolking. Een bijdrage aan de oplossing van bovenomschreven probleem zou zijn dat er meer ontwikkelingsgeld rechtstreeks gaat naar de kleine professioneel werkende organisaties.
Hoe ziet die aanpak er dan in de praktijk uit? De ervaring leert dat initiërende partijen van een projectidee in een vroeg stadium hun belangen kunnen veilig stellen indien de juiste mensen ter plaatse aanwezig zijn. Door ontwikkelingen samen met de lokale initiatiefnemers integraal vanuit de verschillende disciplines aan te pakken, ontstaat de mogelijkheid dicht bij het uit te voeren project (sociale-) controle toe te passen en gevraagde en ongevraagde adviezen te geven. In een onafwendbare (wereld-)economische ontwikkeling dienen vanzelfsprekend ook de Papoea's de kans te krijgen als goed "rentmeesters" zelf het voortouw te nemen bij kleine, maar juist ook grootschalige economische ontwikkelingen. Zij dienen daarbij zelf de ecologische, ethische en sociale grenzen aan te geven waarbinnen een beheersbare ontwikkeling op gang gebracht moet worden. In de opstartfase moet dus rekening gehouden worden met de natuur en cultuur van de plaatselijke inheemse bevolking. Op deze wijze wordt structuur gebracht in een nieuwe samenleving, en wordt voorkomen dat later de symptomen moeten worden bestreden van een scheefgegroeide samenleving die is ontstaan vanuit een éénzijdige aanpak.
Alleen als de plaatselijke bevolking, ondersteund door de kleinere ontwikkelingsorganisaties, zelf mede het voortouw neemt, kan zij het maximale uit een onafwendbare ontwikkeling slepen. In de samenwerkingsverbanden kunnen de ontwikkelingsorganisaties extra hulp en ondersteuning aanbieden van onderzoekers en bedrijfsleven. In deze samenwerkingsverbanden kunnen vervolgens ook de aanknopingspunten voor verandering worden gezocht. De verantwoordelijkheid van allen, ook van hen die niet aan een samenwerkingsverband deelnemen, is om de belangen van diegenen die niet aan de onderhandelingstafel zitten te behartigen: De macht in de wereld is ongelijk verdeeld maar daarmee ook de verantwoordelijkheid.
Auteur: Drs. W.L. Bronsgeest, voorzitter SDSP 15 februari 2005
Dit artikel is verschenen in het blad 'Archipel', Indonesie en Asia-Pacific Magazine, jaargang 7, nummer 1, lente 2005.
|